Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/28642538.webp
laisser
Aujourd’hui, beaucoup doivent laisser leurs voitures garées.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
cms/verbs-webp/21529020.webp
courir vers
La fille court vers sa mère.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
cms/verbs-webp/101709371.webp
produire
On peut produire à moindre coût avec des robots.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
cms/verbs-webp/74119884.webp
ouvrir
L’enfant ouvre son cadeau.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
cms/verbs-webp/123380041.webp
arriver à
Est-ce que quelque chose lui est arrivé dans l’accident du travail?
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
cms/verbs-webp/40326232.webp
comprendre
J’ai enfin compris la tâche !
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
cms/verbs-webp/123786066.webp
boire
Elle boit du thé.
drinken
Ze drinkt thee.
cms/verbs-webp/96710497.webp
surpasser
Les baleines surpassent tous les animaux en poids.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
cms/verbs-webp/38296612.webp
exister
Les dinosaures n’existent plus aujourd’hui.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
cms/verbs-webp/4553290.webp
entrer
Le navire entre dans le port.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
cms/verbs-webp/106725666.webp
vérifier
Il vérifie qui y habite.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
cms/verbs-webp/89636007.webp
signer
Il a signé le contrat.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.