Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/122290319.webp
mettre de côté
Je veux mettre de côté un peu d’argent chaque mois pour plus tard.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
cms/verbs-webp/130770778.webp
voyager
Il aime voyager et a vu de nombreux pays.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
cms/verbs-webp/118759500.webp
récolter
Nous avons récolté beaucoup de vin.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
cms/verbs-webp/130814457.webp
ajouter
Elle ajoute un peu de lait au café.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
cms/verbs-webp/75508285.webp
attendre avec impatience
Les enfants attendent toujours la neige avec impatience.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
cms/verbs-webp/90773403.webp
suivre
Mon chien me suit quand je fais du jogging.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
cms/verbs-webp/106665920.webp
ressentir
La mère ressent beaucoup d’amour pour son enfant.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
cms/verbs-webp/111792187.webp
choisir
Il est difficile de choisir le bon.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
cms/verbs-webp/99725221.webp
mentir
Parfois, il faut mentir dans une situation d’urgence.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
cms/verbs-webp/102238862.webp
visiter
Une vieille amie lui rend visite.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
cms/verbs-webp/113671812.webp
partager
Nous devons apprendre à partager notre richesse.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
cms/verbs-webp/124575915.webp
améliorer
Elle veut améliorer sa silhouette.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.