Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans

punir
Elle a puni sa fille.
straffen
Ze strafte haar dochter.

envoyer
Cette entreprise envoie des marchandises dans le monde entier.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.

regarder
Elle regarde à travers des jumelles.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.

connecter
Ce pont connecte deux quartiers.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.

construire
Les enfants construisent une haute tour.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.

nager
Elle nage régulièrement.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.

goûter
Le chef goûte la soupe.
proeven
De chef-kok proeft de soep.

écrire
Il écrit une lettre.
schrijven
Hij schrijft een brief.

couvrir
Elle a couvert le pain avec du fromage.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.

garder
Je garde mon argent dans ma table de nuit.
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.

attendre
Nous devons encore attendre un mois.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
