Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/118780425.webp
goûter
Le chef goûte la soupe.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
cms/verbs-webp/61575526.webp
céder
De nombreuses vieilles maisons doivent céder la place aux nouvelles.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
cms/verbs-webp/44159270.webp
rendre
Le professeur rend les dissertations aux étudiants.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
cms/verbs-webp/1502512.webp
lire
Je ne peux pas lire sans lunettes.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
cms/verbs-webp/129945570.webp
répondre
Elle a répondu par une question.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
cms/verbs-webp/9435922.webp
approcher
Les escargots se rapprochent l’un de l’autre.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
cms/verbs-webp/93031355.webp
oser
Je n’ose pas sauter dans l’eau.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
cms/verbs-webp/53284806.webp
penser en dehors de la boîte
Pour réussir, il faut parfois penser en dehors de la boîte.
out-of-the-box denken
Om succesvol te zijn, moet je soms out-of-the-box denken.
cms/verbs-webp/99725221.webp
mentir
Parfois, il faut mentir dans une situation d’urgence.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
cms/verbs-webp/91367368.webp
se promener
La famille se promène le dimanche.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
cms/verbs-webp/101158501.webp
remercier
Il l’a remerciée avec des fleurs.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
cms/verbs-webp/90554206.webp
rapporter
Elle rapporte le scandale à son amie.
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.