Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/6307854.webp
venire
La fortuna sta venendo da te.
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
cms/verbs-webp/61806771.webp
portare
Il corriere porta un pacco.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
cms/verbs-webp/55269029.webp
mancare
Ha mancato il chiodo e si è ferito.
missen
Hij miste de spijker en verwondde zichzelf.
cms/verbs-webp/132305688.webp
sprecare
L’energia non dovrebbe essere sprecata.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
cms/verbs-webp/129203514.webp
chiacchierare
Chiacchiera spesso con il suo vicino.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
cms/verbs-webp/12991232.webp
ringraziare
Ti ringrazio molto per questo!
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
cms/verbs-webp/79046155.webp
ripetere
Puoi ripetere per favore?
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?
cms/verbs-webp/98060831.webp
pubblicare
L’editore pubblica queste riviste.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
cms/verbs-webp/123170033.webp
fallire
L’azienda probabilmente fallirà presto.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
cms/verbs-webp/121264910.webp
tagliare
Per l’insalata, devi tagliare il cetriolo.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
cms/verbs-webp/95190323.webp
votare
Si vota per o contro un candidato.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
cms/verbs-webp/104302586.webp
ricevere indietro
Ho ricevuto il resto.
terugkrijgen
Ik kreeg het wisselgeld terug.