Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/102167684.webp
comparer
Ils comparent leurs chiffres.
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
cms/verbs-webp/125385560.webp
laver
La mère lave son enfant.
wassen
De moeder wast haar kind.
cms/verbs-webp/99196480.webp
garer
Les voitures sont garées dans le parking souterrain.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
cms/verbs-webp/117421852.webp
devenir amis
Les deux sont devenus amis.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
cms/verbs-webp/32312845.webp
exclure
Le groupe l’exclut.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
cms/verbs-webp/106665920.webp
ressentir
La mère ressent beaucoup d’amour pour son enfant.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
cms/verbs-webp/74908730.webp
causer
Trop de gens causent rapidement le chaos.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
cms/verbs-webp/102631405.webp
oublier
Elle ne veut pas oublier le passé.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
cms/verbs-webp/60111551.webp
prendre
Elle doit prendre beaucoup de médicaments.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
cms/verbs-webp/117658590.webp
disparaître
De nombreux animaux ont disparu aujourd’hui.
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
cms/verbs-webp/71260439.webp
écrire à
Il m’a écrit la semaine dernière.
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
cms/verbs-webp/110775013.webp
noter
Elle veut noter son idée d’entreprise.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.