Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans

comparer
Ils comparent leurs chiffres.
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.

laver
La mère lave son enfant.
wassen
De moeder wast haar kind.

garer
Les voitures sont garées dans le parking souterrain.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.

devenir amis
Les deux sont devenus amis.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.

exclure
Le groupe l’exclut.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.

ressentir
La mère ressent beaucoup d’amour pour son enfant.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.

causer
Trop de gens causent rapidement le chaos.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.

oublier
Elle ne veut pas oublier le passé.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.

prendre
Elle doit prendre beaucoup de médicaments.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.

disparaître
De nombreux animaux ont disparu aujourd’hui.
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.

écrire à
Il m’a écrit la semaine dernière.
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
