Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
exercise
She exercises an unusual profession.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
stop
You must stop at the red light.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
discuss
The colleagues discuss the problem.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
check
He checks who lives there.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
pay attention
One must pay attention to the road signs.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
visit
An old friend visits her.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
save
My children have saved their own money.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
return
The dog returns the toy.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
pass by
The train is passing by us.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
protect
Children must be protected.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
trade
People trade in used furniture.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.