Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
cause
Too many people quickly cause chaos.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
rent out
He is renting out his house.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
look up
What you don’t know, you have to look up.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
marry
Minors are not allowed to be married.
worden
Ze zijn een goed team geworden.
become
They have become a good team.
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
understand
I finally understood the task!
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
push
The car stopped and had to be pushed.
onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.
endorse
We gladly endorse your idea.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
fight
The athletes fight against each other.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
imagine
She imagines something new every day.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
write down
She wants to write down her business idea.