Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
park
The cars are parked in the underground garage.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
turn around
You have to turn the car around here.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
choose
It is hard to choose the right one.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
listen
He likes to listen to his pregnant wife’s belly.
activeren
De rook activeerde het alarm.
trigger
The smoke triggered the alarm.
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
increase
The company has increased its revenue.
verrijken
Specerijen verrijken ons eten.
enrich
Spices enrich our food.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
mix
You can mix a healthy salad with vegetables.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
renew
The painter wants to renew the wall color.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
walk
The group walked across a bridge.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
depart
Our holiday guests departed yesterday.