Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
simplify
You have to simplify complicated things for children.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
let in
It was snowing outside and we let them in.
overnachten
We overnachten in de auto.
spend the night
We are spending the night in the car.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
clean
She cleans the kitchen.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
pull out
Weeds need to be pulled out.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
decide
She can’t decide which shoes to wear.
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
influence
Don’t let yourself be influenced by others!
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
cause
Alcohol can cause headaches.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
take back
The device is defective; the retailer has to take it back.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
introduce
He is introducing his new girlfriend to his parents.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
repeat
My parrot can repeat my name.