Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
trouwen
Het stel is net getrouwd.
marry
The couple has just gotten married.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
suggest
The woman suggests something to her friend.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
set back
Soon we’ll have to set the clock back again.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
call
She can only call during her lunch break.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
get used to
Children need to get used to brushing their teeth.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
repeat
My parrot can repeat my name.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
train
Professional athletes have to train every day.
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
work on
He has to work on all these files.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
bring
The messenger brings a package.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
depart
The ship departs from the harbor.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
park
The cars are parked in the underground garage.