Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
set back
Soon we’ll have to set the clock back again.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
burn
A fire is burning in the fireplace.
eten
Wat willen we vandaag eten?
eat
What do we want to eat today?
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
let in
One should never let strangers in.
drinken
Ze drinkt thee.
drink
She drinks tea.
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
work on
He has to work on all these files.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
bring by
The pizza delivery guy brings the pizza by.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
enter
He enters the hotel room.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
divide
They divide the housework among themselves.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
drive
The cowboys drive the cattle with horses.
kopen
Ze willen een huis kopen.
buy
They want to buy a house.