Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

knippen
De kapper knipt haar haar.
cut
The hairstylist cuts her hair.

teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
go back
He can’t go back alone.

spelen
Het kind speelt liever alleen.
play
The child prefers to play alone.

sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
save
My children have saved their own money.

negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignore
The child ignores his mother’s words.

draaien
Je mag naar links draaien.
turn
You may turn left.

volgen
De kuikens volgen altijd hun moeder.
follow
The chicks always follow their mother.

bidden
Hij bidt in stilte.
pray
He prays quietly.

springen
Hij sprong in het water.
jump
He jumped into the water.

verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
explore
The astronauts want to explore outer space.

beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
describe
How can one describe colors?
