Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
let in
It was snowing outside and we let them in.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
refuse
The child refuses its food.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
accompany
The dog accompanies them.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
pull up
The helicopter pulls the two men up.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
understand
One cannot understand everything about computers.
wassen
De moeder wast haar kind.
wash
The mother washes her child.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
mix
The painter mixes the colors.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
write all over
The artists have written all over the entire wall.
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
live
They live in a shared apartment.
haten
De twee jongens haten elkaar.
hate
The two boys hate each other.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
wake up
The alarm clock wakes her up at 10 a.m.