Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
repeat a year
The student has repeated a year.

handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
trade
People trade in used furniture.

bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
look at
On vacation, I looked at many sights.

luisteren
Hij luistert naar haar.
listen
He is listening to her.

kopen
Ze willen een huis kopen.
buy
They want to buy a house.

verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
improve
She wants to improve her figure.

uitzetten
Ze zet de wekker uit.
turn off
She turns off the alarm clock.

beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
decide
She can’t decide which shoes to wear.

beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
exercise restraint
I can’t spend too much money; I have to exercise restraint.

hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
hope
Many hope for a better future in Europe.

uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
go out
The kids finally want to go outside.
