Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
avoid
She avoids her coworker.
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
ride
They ride as fast as they can.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
transport
The truck transports the goods.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
simplify
You have to simplify complicated things for children.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
pay attention
One must pay attention to the road signs.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
call
The boy calls as loud as he can.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
deliver
Our daughter delivers newspapers during the holidays.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
clean
The worker is cleaning the window.
verrijken
Specerijen verrijken ons eten.
enrich
Spices enrich our food.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
build
The children are building a tall tower.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
monitor
Everything is monitored here by cameras.