Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
cover
The child covers its ears.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
create
He has created a model for the house.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
get used to
Children need to get used to brushing their teeth.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
take care
Our son takes very good care of his new car.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
paint
He is painting the wall white.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
examine
Blood samples are examined in this lab.
rennen
De atleet rent.
run
The athlete runs.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
set back
Soon we’ll have to set the clock back again.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
come closer
The snails are coming closer to each other.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
transport
We transport the bikes on the car roof.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
reward
He was rewarded with a medal.