Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
write down
You have to write down the password!

uitspringen
De vis springt uit het water.
jump out
The fish jumps out of the water.

eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
agree
The neighbors couldn’t agree on the color.

langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
stop by
The doctors stop by the patient every day.

liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
lie
He often lies when he wants to sell something.

uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
publish
The publisher puts out these magazines.

verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
appear
A huge fish suddenly appeared in the water.

verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
leave
Many English people wanted to leave the EU.

drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
drink
The cows drink water from the river.

controleren
Hij controleert wie daar woont.
check
He checks who lives there.

wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
get used to
Children need to get used to brushing their teeth.
