Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
drink
The cows drink water from the river.

versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
send off
This package will be sent off soon.

dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
serve
Dogs like to serve their owners.

meerijden
Mag ik met je meerijden?
ride along
May I ride along with you?

importeren
We importeren fruit uit veel landen.
import
We import fruit from many countries.

winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
win
He tries to win at chess.

overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
leave to
The owners leave their dogs to me for a walk.

verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
move
My nephew is moving.

zingen
De kinderen zingen een lied.
sing
The children sing a song.

aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
hire
The company wants to hire more people.

houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.
love
She loves her cat very much.
