Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
prove
He wants to prove a mathematical formula.

loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
let go
You must not let go of the grip!

eten
Wat willen we vandaag eten?
eat
What do we want to eat today?

kijken
Ze kijkt door een gat.
look
She looks through a hole.

bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
move
It’s healthy to move a lot.

vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
forget
She doesn’t want to forget the past.

verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
refer
The teacher refers to the example on the board.

kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
look
Everyone is looking at their phones.

antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
respond
She responded with a question.

volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
follow
My dog follows me when I jog.

knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
hug
He hugs his old father.
