Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
missen
De man heeft zijn trein gemist.
miss
The man missed his train.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
mix
Various ingredients need to be mixed.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
strengthen
Gymnastics strengthens the muscles.
eten
Wat willen we vandaag eten?
eat
What do we want to eat today?
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
come together
It’s nice when two people come together.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
avoid
She avoids her coworker.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
hope
Many hope for a better future in Europe.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
offer
She offered to water the flowers.
kopen
Ze willen een huis kopen.
buy
They want to buy a house.
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
get out
She gets out of the car.
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
understand
I finally understood the task!