Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
sit
Many people are sitting in the room.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
go by train
I will go there by train.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
ride
Kids like to ride bikes or scooters.
protesteren
Mensen protesteren tegen onrecht.
protest
People protest against injustice.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
talk badly
The classmates talk badly about her.
slapen
De baby slaapt.
sleep
The baby sleeps.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
explain
Grandpa explains the world to his grandson.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
stop by
The doctors stop by the patient every day.
reizen
We reizen graag door Europa.
travel
We like to travel through Europe.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignore
The child ignores his mother’s words.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
translate
He can translate between six languages.