Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

luisteren
Hij luistert naar haar.
listen
He is listening to her.

uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
spend
She spent all her money.

nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
need
I’m thirsty, I need water!

aanraken
Hij raakte haar teder aan.
touch
He touched her tenderly.

aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
arrive
Many people arrive by camper van on vacation.

becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
comment
He comments on politics every day.

bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
deliver
Our daughter delivers newspapers during the holidays.

beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
damage
Two cars were damaged in the accident.

out-of-the-box denken
Om succesvol te zijn, moet je soms out-of-the-box denken.
think outside the box
To be successful, you have to think outside the box sometimes.

missen
Hij miste de spijker en verwondde zichzelf.
miss
He missed the nail and injured himself.

uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
take apart
Our son takes everything apart!
