Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
run slow
The clock is running a few minutes slow.

vernietigen
De bestanden worden volledig vernietigd.
destroy
The files will be completely destroyed.

schrijven
Hij schrijft een brief.
write
He is writing a letter.

drukken
Hij drukt op de knop.
press
He presses the button.

sluiten
Ze sluit de gordijnen.
close
She closes the curtains.

mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
mix
You can mix a healthy salad with vegetables.

werken
Ze werkt beter dan een man.
work
She works better than a man.

stoppen
Hij stopte met zijn baan.
quit
He quit his job.

vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
ask
He asks her for forgiveness.

kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
chat
He often chats with his neighbor.

vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
renew
The painter wants to renew the wall color.
