Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
terugkomen
De boemerang kwam terug.
return
The boomerang returned.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
understand
One cannot understand everything about computers.
ondersteunen
We ondersteunen de creativiteit van ons kind.
support
We support our child’s creativity.
missen
Ik zal je zo erg missen!
miss
I will miss you so much!
geloven
Veel mensen geloven in God.
believe
Many people believe in God.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
receive
I can receive very fast internet.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
avoid
He needs to avoid nuts.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
cover
The child covers itself.
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
log in
You have to log in with your password.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
reduce
I definitely need to reduce my heating costs.
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
sit down
She sits by the sea at sunset.