Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
train
Professional athletes have to train every day.

bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
thank
He thanked her with flowers.

vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
represent
Lawyers represent their clients in court.

brengen
De koerier brengt een pakketje.
bring
The messenger brings a package.

sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
sort
I still have a lot of papers to sort.

accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
accept
Some people don’t want to accept the truth.

spelen
Het kind speelt liever alleen.
play
The child prefers to play alone.

wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
get used to
Children need to get used to brushing their teeth.

moeten
Hij moet hier uitstappen.
must
He must get off here.

weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
run away
Our son wanted to run away from home.

aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
arrive
He arrived just in time.
