Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

kletsen
Ze kletsen met elkaar.
chat
They chat with each other.

reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
travel
He likes to travel and has seen many countries.

uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
exercise
She exercises an unusual profession.

binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
let in
It was snowing outside and we let them in.

draaien
Je mag naar links draaien.
turn
You may turn left.

uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
speak out
She wants to speak out to her friend.

ondersteunen
We ondersteunen de creativiteit van ons kind.
support
We support our child’s creativity.

sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
snow
It snowed a lot today.

helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
help
Everyone helps set up the tent.

gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
go
Where are you both going?

afwassen
Ik hou niet van afwassen.
wash up
I don’t like washing the dishes.
