Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
build
The children are building a tall tower.
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
represent
Lawyers represent their clients in court.
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
summarize
You need to summarize the key points from this text.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
consume
She consumes a piece of cake.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
Books and newspapers are being printed.
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
contain
Fish, cheese, and milk contain a lot of protein.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
write down
She wants to write down her business idea.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
know
She knows many books almost by heart.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
serve
The chef is serving us himself today.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
check
The mechanic checks the car’s functions.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
pay attention
One must pay attention to the road signs.