Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
run out
She runs out with the new shoes.

bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
visit
An old friend visits her.

begeleiden
De hond begeleidt hen.
accompany
The dog accompanies them.

ondersteunen
We ondersteunen de creativiteit van ons kind.
support
We support our child’s creativity.

schilderen
Hij schildert de muur wit.
paint
He is painting the wall white.

uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
speak out
She wants to speak out to her friend.

eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
demand
He demanded compensation from the person he had an accident with.

binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
let in
It was snowing outside and we let them in.

genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.
generate
We generate electricity with wind and sunlight.

afwassen
Ik hou niet van afwassen.
wash up
I don’t like washing the dishes.

teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
return
The teacher returns the essays to the students.
