Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
imagine
She imagines something new every day.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
limit
Fences limit our freedom.
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
miss
He missed the nail and injured himself.
missen
Hij miste de spijker en verwondde zichzelf.
destroy
The tornado destroys many houses.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
call on
My teacher often calls on me.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
pay
She pays online with a credit card.
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
drive home
After shopping, the two drive home.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
explain
Grandpa explains the world to his grandson.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
cover
She has covered the bread with cheese.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
set up
My daughter wants to set up her apartment.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
kick
Be careful, the horse can kick!
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!