Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
jump over
The athlete must jump over the obstacle.
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
provide
Beach chairs are provided for the vacationers.
kussen
Hij kust de baby.
kiss
He kisses the baby.
haten
De twee jongens haten elkaar.
hate
The two boys hate each other.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
discuss
They discuss their plans.
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
bring together
The language course brings students from all over the world together.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
sell
The traders are selling many goods.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
see
You can see better with glasses.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
discover
The sailors have discovered a new land.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
find again
I couldn’t find my passport after moving.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
dance
They are dancing a tango in love.