Vocabulary
Learn Verbs – Dutch

openen
De kluis kan worden geopend met de geheime code.
open
The safe can be opened with the secret code.

achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
set back
Soon we’ll have to set the clock back again.

bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
give birth
She will give birth soon.

voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
introduce
He is introducing his new girlfriend to his parents.

draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
dial
She picked up the phone and dialed the number.

missen
Hij miste de spijker en verwondde zichzelf.
miss
He missed the nail and injured himself.

verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
increase
The company has increased its revenue.

aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
hire
The applicant was hired.

schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
shout
If you want to be heard, you have to shout your message loudly.

geloven
Veel mensen geloven in God.
believe
Many people believe in God.

vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
make progress
Snails only make slow progress.
