Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans

mostrar
Puedo mostrar una visa en mi pasaporte.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.

quitar
El artesano quitó las baldosas viejas.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.

patear
Les gusta patear, pero solo en fut
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.

deber
Él debe bajarse aquí.
moeten
Hij moet hier uitstappen.

escribir a
Me escribió la semana pasada.
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.

acordar
Los vecinos no pudieron acordar sobre el color.
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.

llorar
El niño está llorando en la bañera.
huilen
Het kind huilt in het bad.

superar
Las ballenas superan a todos los animales en peso.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.

entender
No se puede entender todo sobre las computadoras.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.

odiar
Los dos niños se odian.
haten
De twee jongens haten elkaar.

gritar
Si quieres que te escuchen, tienes que gritar tu mensaje en voz alta.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
