Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
gooi
Hy gooi die bal in die mandjie.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
praat met
Iemand moet met hom praat; hy’s so eensaam.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
blind word
Die man met die merke het blind geword.
blind worden
De man met de badges is blind geworden.
handel
Mense handel in gebruikte meubels.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
beperk
Gedurende ’n dieet moet jy jou voedselinname beperk.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
versorg
Ons opsigter sorg vir sneeuverwydering.
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
speel
Die kind verkies om alleen te speel.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
vertel
Sy vertel haar ’n geheim.
vertellen
Ze vertelt haar een geheim.
binnegaan
Die ondergrondse het nou die stasie binngegaan.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
lewer kommentaar
Hy lewer elke dag kommentaar oor politiek.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
huis toe gaan
Hy gaan huis toe na die werk.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.