Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans

revisar
El mecánico revisa las funciones del coche.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.

despertar
El despertador la despierta a las 10 a.m.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.

hablar mal
Los compañeros de clase hablan mal de ella.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.

dañar
Dos coches se dañaron en el accidente.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.

elevar
El helicóptero eleva a los dos hombres.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.

oír
¡No puedo oírte!
horen
Ik kan je niet horen!

fortalecer
La gimnasia fortalece los músculos.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.

colgar
Ambos están colgando de una rama.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.

aparcar
Las bicicletas están aparcadas frente a la casa.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.

dejar entrar
Nunca se debe dejar entrar a extraños.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.

mentir
A veces hay que mentir en una situación de emergencia.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
