Woordenlijst
Leer werkwoorden – Duits

sein
Du sollst doch nicht traurig sein!
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!

zusammenziehen
Die beiden wollen bald zusammenziehen.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.

füttern
Die Kinder füttern das Pferd.
voeden
De kinderen voeden het paard.

drücken
Er drückt auf den Knopf.
drukken
Hij drukt op de knop.

sich ekeln
Sie ekelt sich vor Spinnen.
walgen van
Ze walgde van spinnen.

vertrauen
Wir alle vertrauen einander.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.

behüten
Die Mutter behütet ihr Kind.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.

stornieren
Der Vertrag wurde storniert.
annuleren
Het contract is geannuleerd.

vorstellen
Er stellt seinen Eltern seine neue Freundin vor.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.

gucken
Sie guckt durch ein Loch.
kijken
Ze kijkt door een gat.

unternehmen
Ich habe schon viele Reisen unternommen.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
