Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/110233879.webp
créer
Il a créé un modèle pour la maison.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
cms/verbs-webp/109657074.webp
chasser
Un cygne en chasse un autre.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
cms/verbs-webp/79582356.webp
déchiffrer
Il déchiffre les petits caractères avec une loupe.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
cms/verbs-webp/79317407.webp
commander
Il commande son chien.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
cms/verbs-webp/42212679.webp
travailler pour
Il a beaucoup travaillé pour ses bonnes notes.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
cms/verbs-webp/42111567.webp
faire une erreur
Réfléchis bien pour ne pas faire d’erreur!
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
cms/verbs-webp/104818122.webp
réparer
Il voulait réparer le câble.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
cms/verbs-webp/81740345.webp
résumer
Vous devez résumer les points clés de ce texte.
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
cms/verbs-webp/77646042.webp
brûler
Tu ne devrais pas brûler d’argent.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
cms/verbs-webp/98082968.webp
écouter
Il l’écoute.
luisteren
Hij luistert naar haar.
cms/verbs-webp/124274060.webp
laisser
Elle m’a laissé une part de pizza.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
cms/verbs-webp/77581051.webp
offrir
Que m’offres-tu pour mon poisson?
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?