Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
evaluate
He evaluates the performance of the company.
evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
save
The girl is saving her pocket money.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
set aside
I want to set aside some money for later every month.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
prepare
She is preparing a cake.
bereiden
Ze bereidt een taart.
forget
She’s forgotten his name now.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
damage
Two cars were damaged in the accident.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
check
He checks who lives there.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
reward
He was rewarded with a medal.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
arrive
He arrived just in time.
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
open
Can you please open this can for me?
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
spend
She spends all her free time outside.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.