Woordenlijst
Leer werkwoorden – Noors

stole på
Vi stoler alle på hverandre.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.

sparke
I kampsport må du kunne sparke godt.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.

velge
Det er vanskelig å velge den rette.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.

bevise
Han vil bevise en matematisk formel.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.

slutte
Han sluttet i jobben sin.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.

diskutere
Kollegaene diskuterer problemet.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.

påvirke
La deg ikke påvirkes av andre!
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!

synge
Barna synger en sang.
zingen
De kinderen zingen een lied.

åpne
Barnet åpner gaven sin.
openen
Het kind opent zijn cadeau.

fornye
Maleren vil fornye veggfargen.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.

tro
Mange mennesker tror på Gud.
geloven
Veel mensen geloven in God.
