Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/113253386.webp
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
fungere
Det fungerte ikke denne gangen.
cms/verbs-webp/118011740.webp
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
bygge
Barna bygger et høyt tårn.
cms/verbs-webp/115628089.webp
bereiden
Ze bereidt een taart.
forberede
Hun forbereder en kake.
cms/verbs-webp/116610655.webp
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
bygge
Når ble Den kinesiske mur bygget?
cms/verbs-webp/118588204.webp
wachten
Ze wacht op de bus.
vente
Hun venter på bussen.
cms/verbs-webp/121180353.webp
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
miste
Vent, du har mistet lommeboken din!
cms/verbs-webp/35071619.webp
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
passere forbi
De to passerer hverandre.
cms/verbs-webp/61575526.webp
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
vike
Mange gamle hus må vike for de nye.
cms/verbs-webp/119895004.webp
schrijven
Hij schrijft een brief.
skrive
Han skriver et brev.
cms/verbs-webp/106515783.webp
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
ødelegge
Tornadoen ødelegger mange hus.
cms/verbs-webp/129945570.webp
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
svare
Hun svarte med et spørsmål.
cms/verbs-webp/82604141.webp
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
kaste bort
Han tråkker på en bortkastet bananskall.