Ordforråd
Lær verb – nederlandsk

lukken
Deze keer is het niet gelukt.
fungere
Det fungerte ikke denne gangen.

bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
bygge
Barna bygger et høyt tårn.

bereiden
Ze bereidt een taart.
forberede
Hun forbereder en kake.

bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
bygge
Når ble Den kinesiske mur bygget?

wachten
Ze wacht op de bus.
vente
Hun venter på bussen.

verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
miste
Vent, du har mistet lommeboken din!

voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
passere forbi
De to passerer hverandre.

wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
vike
Mange gamle hus må vike for de nye.

schrijven
Hij schrijft een brief.
skrive
Han skriver et brev.

vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
ødelegge
Tornadoen ødelegger mange hus.

antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
svare
Hun svarte med et spørsmål.
