Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/80116258.webp
evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
vurdere
Han vurderer selskapets prestasjon.
cms/verbs-webp/119379907.webp
raden
Je moet raden wie ik ben!
gjette
Du må gjette hvem jeg er!
cms/verbs-webp/108218979.webp
moeten
Hij moet hier uitstappen.
måtte
Han må gå av her.
cms/verbs-webp/55128549.webp
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
kaste
Han kaster ballen i kurven.
cms/verbs-webp/92145325.webp
kijken
Ze kijkt door een gat.
se
Hun ser gjennom et hull.
cms/verbs-webp/51573459.webp
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
fremheve
Du kan fremheve øynene dine godt med sminke.
cms/verbs-webp/113316795.webp
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
logge inn
Du må logge inn med passordet ditt.
cms/verbs-webp/79322446.webp
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
introdusere
Han introduserer sin nye kjæreste for foreldrene sine.
cms/verbs-webp/121102980.webp
meerijden
Mag ik met je meerijden?
bli med
Kan jeg bli med deg?
cms/verbs-webp/110347738.webp
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
glede
Målet gleder de tyske fotballfansene.
cms/verbs-webp/116067426.webp
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
løpe vekk
Alle løp vekk fra brannen.
cms/verbs-webp/75508285.webp
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
glede seg
Barn gleder seg alltid til snø.