Ordforråd
Lær verb – nederlandsk

evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
vurdere
Han vurderer selskapets prestasjon.

raden
Je moet raden wie ik ben!
gjette
Du må gjette hvem jeg er!

moeten
Hij moet hier uitstappen.
måtte
Han må gå av her.

gooien
Hij gooit de bal in de mand.
kaste
Han kaster ballen i kurven.

kijken
Ze kijkt door een gat.
se
Hun ser gjennom et hull.

benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
fremheve
Du kan fremheve øynene dine godt med sminke.

inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
logge inn
Du må logge inn med passordet ditt.

voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
introdusere
Han introduserer sin nye kjæreste for foreldrene sine.

meerijden
Mag ik met je meerijden?
bli med
Kan jeg bli med deg?

verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
glede
Målet gleder de tyske fotballfansene.

wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
løpe vekk
Alle løp vekk fra brannen.
