Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/58993404.webp
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
heimgehen
Nach der Arbeit geht er heim.
cms/verbs-webp/4553290.webp
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
einlaufen
Das Schiff läuft in den Hafen ein.
cms/verbs-webp/38296612.webp
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
existieren
Dinosaurier existieren heute nicht mehr.
cms/verbs-webp/129244598.webp
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
einschränken
Während einer Diät muss man sein Essen einschränken.
cms/verbs-webp/111892658.webp
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
liefern
Er liefert die Pizzas nach Hause.
cms/verbs-webp/90821181.webp
verslaan
Hij versloeg zijn tegenstander in tennis.
schlagen
Er hat seinen Gegner im Tennis geschlagen.
cms/verbs-webp/117284953.webp
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
sich aussuchen
Sie sucht sich eine neue Sonnenbrille aus.
cms/verbs-webp/110347738.webp
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
erfreuen
Das Tor erfreut die deutschen Fußballfans.
cms/verbs-webp/106203954.webp
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
einsetzen
Wir setzen bei dem Brand Gasmasken ein.
cms/verbs-webp/58883525.webp
binnenkomen
Kom binnen!
eintreten
Treten Sie ein!
cms/verbs-webp/57207671.webp
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
hinnehmen
Das kann ich nicht ändern, das muss ich so hinnehmen.
cms/verbs-webp/120452848.webp
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
kennen
Sie kennt viele Bücher fast auswendig.