Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/63935931.webp
draaien
Ze draait het vlees.
wenden
Sie wendet das Fleisch.
cms/verbs-webp/12991232.webp
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
danken
Ich danke dir ganz herzlich dafür!
cms/verbs-webp/120086715.webp
voltooien
Kun je de puzzel voltooien?
vervollständigen
Könnt ihr das Puzzle vervollständigen?
cms/verbs-webp/122394605.webp
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
wechseln
Der Automechaniker wechselt die Reifen.
cms/verbs-webp/93792533.webp
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
bedeuten
Was bedeutet dieses Wappen auf dem Boden?
cms/verbs-webp/115153768.webp
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
erkennen
Ich erkenne durch meine neue Brille alles genau.
cms/verbs-webp/859238.webp
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
ausüben
Sie übt einen ungewöhnlichen Beruf aus.
cms/verbs-webp/58477450.webp
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
vermieten
Er vermietet sein Haus.
cms/verbs-webp/108295710.webp
spellen
De kinderen leren spellen.
buchstabieren
Die Kinder lernen buchstabieren.
cms/verbs-webp/62175833.webp
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
entdecken
Die Seefahrer haben ein neues Land entdeckt.
cms/verbs-webp/113966353.webp
serveren
De ober serveert het eten.
servieren
Der Kellner serviert das Essen.
cms/verbs-webp/77581051.webp
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
bieten
Was bietet ihr mir für meinen Fisch?