Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/41019722.webp
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
heimfahren
Nach dem Einkauf fahren die beiden heim.
cms/verbs-webp/85623875.webp
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
studieren
An meiner Uni studieren viele Frauen.
cms/verbs-webp/46385710.webp
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
akzeptieren
Hier werden Kreditkarten akzeptiert.
cms/verbs-webp/89025699.webp
dragen
De ezel draagt een zware last.
schleppen
Der Esel schleppt eine schwere Last.
cms/verbs-webp/59121211.webp
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
klingeln
Wer hat an der Tür geklingelt?
cms/verbs-webp/95190323.webp
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
stimmen
Man stimmt für oder gegen einen Kandidaten.
cms/verbs-webp/91603141.webp
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
durchbrennen
Manche Kinder brennen von zu Hause durch.
cms/verbs-webp/8482344.webp
kussen
Hij kust de baby.
küssen
Er küsst das Baby.
cms/verbs-webp/132305688.webp
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
verschwenden
Man sollte Energie nicht verschwenden.
cms/verbs-webp/124525016.webp
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
zurückliegen
Die Zeit ihrer Jugend liegt lange zurück.
cms/verbs-webp/93150363.webp
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
aufwachen
Er ist soeben aufgewacht.
cms/verbs-webp/118011740.webp
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
bauen
Die Kinder bauen einen hohen Turm.