Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
ripetere
Il mio pappagallo può ripetere il mio nome.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
entrare
Lui entra nella stanza d’albergo.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
lasciare avanti
Nessuno vuole lasciarlo passare alla cassa del supermercato.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
contare
Lei conta le monete.
tellen
Ze telt de munten.
restituire
Il cane restituisce il giocattolo.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
piacere
A lei piace più il cioccolato che le verdure.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
abbassare
Risparmi denaro quando abbassi la temperatura della stanza.
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
girare
Le auto girano in cerchio.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
vedere chiaramente
Posso vedere tutto chiaramente con i miei nuovi occhiali.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
cancellare
Il volo è cancellato.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
inviare
Ti ho inviato un messaggio.
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.