Woordenlijst

Leer werkwoorden – Portugees (PT)

cms/verbs-webp/120254624.webp
liderar
Ele gosta de liderar uma equipe.
leiden
Hij leidt graag een team.
cms/verbs-webp/115224969.webp
perdoar
Eu o perdoo por suas dívidas.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
cms/verbs-webp/80356596.webp
despedir-se
A mulher se despede.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
cms/verbs-webp/106787202.webp
chegar
Papai finalmente chegou em casa!
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
cms/verbs-webp/95543026.webp
participar
Ele está participando da corrida.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
cms/verbs-webp/96628863.webp
economizar
A menina está economizando sua mesada.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
cms/verbs-webp/93221279.webp
queimar
Há um fogo queimando na lareira.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
cms/verbs-webp/94482705.webp
traduzir
Ele pode traduzir entre seis idiomas.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
cms/verbs-webp/78073084.webp
deitar
Eles estavam cansados e se deitaram.
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
cms/verbs-webp/125376841.webp
olhar para
Nas férias, eu olhei para muitos pontos turísticos.
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
cms/verbs-webp/40477981.webp
estar familiarizado
Ela não está familiarizada com eletricidade.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
cms/verbs-webp/102823465.webp
mostrar
Posso mostrar um visto no meu passaporte.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.