Woordenlijst

Leer werkwoorden – Portugees (PT)

cms/verbs-webp/63645950.webp
correr
Ela corre todas as manhãs na praia.
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
cms/verbs-webp/33688289.webp
deixar entrar
Nunca se deve deixar estranhos entrar.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
cms/verbs-webp/40129244.webp
sair
Ela sai do carro.
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
cms/verbs-webp/117490230.webp
pedir
Ela pede café da manhã para si mesma.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
cms/verbs-webp/122290319.webp
reservar
Quero reservar algum dinheiro todo mês para mais tarde.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
cms/verbs-webp/111750395.webp
voltar
Ele não pode voltar sozinho.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
cms/verbs-webp/118596482.webp
procurar
Eu procuro por cogumelos no outono.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
cms/verbs-webp/97119641.webp
pintar
O carro está sendo pintado de azul.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
cms/verbs-webp/85010406.webp
pular sobre
O atleta deve pular o obstáculo.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
cms/verbs-webp/41918279.webp
fugir
Nosso filho quis fugir de casa.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
cms/verbs-webp/46998479.webp
discutir
Eles discutem seus planos.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
cms/verbs-webp/113316795.webp
entrar
Você tem que entrar com sua senha.
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.