Vocabulário
Aprenda verbos – Holandês

uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
desligar
Ela desliga a eletricidade.

aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
chegar
Muitas pessoas chegam de motorhome nas férias.

kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
olhar
Ela olha através de um binóculo.

zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
procurar
A polícia está procurando o criminoso.

besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
infectar-se
Ela se infectou com um vírus.

uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
extinguir-se
Muitos animais se extinguiram hoje.

werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
trabalhar para
Ele trabalhou duro para conseguir boas notas.

verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
explorar
Os astronautas querem explorar o espaço sideral.

moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.
achar difícil
Ambos acham difícil dizer adeus.

wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
acordar
O despertador a acorda às 10 da manhã.

verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
dividir
Eles dividem as tarefas domésticas entre si.
