Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/92266224.webp
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
desligar
Ela desliga a eletricidade.
cms/verbs-webp/116835795.webp
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
chegar
Muitas pessoas chegam de motorhome nas férias.
cms/verbs-webp/107852800.webp
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
olhar
Ela olha através de um binóculo.
cms/verbs-webp/34567067.webp
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
procurar
A polícia está procurando o criminoso.
cms/verbs-webp/113885861.webp
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
infectar-se
Ela se infectou com um vírus.
cms/verbs-webp/117658590.webp
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
extinguir-se
Muitos animais se extinguiram hoje.
cms/verbs-webp/42212679.webp
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
trabalhar para
Ele trabalhou duro para conseguir boas notas.
cms/verbs-webp/129002392.webp
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
explorar
Os astronautas querem explorar o espaço sideral.
cms/verbs-webp/124320643.webp
moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.
achar difícil
Ambos acham difícil dizer adeus.
cms/verbs-webp/40094762.webp
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
acordar
O despertador a acorda às 10 da manhã.
cms/verbs-webp/122153910.webp
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
dividir
Eles dividem as tarefas domésticas entre si.
cms/verbs-webp/68761504.webp
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
examinar
O dentista examina a dentição do paciente.