Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/107996282.webp
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
referir
O professor refere-se ao exemplo no quadro.
cms/verbs-webp/132125626.webp
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
persuadir
Ela frequentemente tem que persuadir sua filha a comer.
cms/verbs-webp/115847180.webp
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
ajudar
Todos ajudam a montar a tenda.
cms/verbs-webp/120509602.webp
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
perdoar
Ela nunca pode perdoá-lo por isso!
cms/verbs-webp/63868016.webp
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
devolver
O cachorro devolve o brinquedo.
cms/verbs-webp/114993311.webp
zien
Je kunt beter zien met een bril.
ver
Você pode ver melhor com óculos.
cms/verbs-webp/74119884.webp
openen
Het kind opent zijn cadeau.
abrir
A criança está abrindo seu presente.
cms/verbs-webp/122479015.webp
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
cortar
O tecido está sendo cortado no tamanho certo.
cms/verbs-webp/97593982.webp
bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
preparar
Um delicioso café da manhã está sendo preparado!
cms/verbs-webp/33463741.webp
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
abrir
Você pode abrir esta lata para mim, por favor?
cms/verbs-webp/100634207.webp
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
explicar
Ela explica a ele como o dispositivo funciona.
cms/verbs-webp/11497224.webp
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
responder
O estudante responde à pergunta.