Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/122638846.webp
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
deixar sem palavras
A surpresa a deixou sem palavras.
cms/verbs-webp/118253410.webp
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
gastar
Ela gastou todo o seu dinheiro.
cms/verbs-webp/121112097.webp
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
pintar
Eu pintei um lindo quadro para você!
cms/verbs-webp/93150363.webp
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
acordar
Ele acabou de acordar.
cms/verbs-webp/96476544.webp
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
marcar
A data está sendo marcada.
cms/verbs-webp/94555716.webp
worden
Ze zijn een goed team geworden.
tornar-se
Eles se tornaram uma boa equipe.
cms/verbs-webp/113136810.webp
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
despachar
Este pacote será despachado em breve.
cms/verbs-webp/853759.webp
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
liquidar
A mercadoria está sendo liquidada.
cms/verbs-webp/117284953.webp
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
escolher
Ela escolhe um novo par de óculos escuros.
cms/verbs-webp/105681554.webp
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
causar
O açúcar causa muitas doenças.