Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
chiacchierare
Chiacchierano tra loro.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
creare
Chi ha creato la Terra?
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
mancare
Lui sente molto la mancanza della sua ragazza.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
consegnare
Lui consegna pizze a domicilio.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
arrabbiarsi
Lei si arrabbia perché lui russa sempre.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
passare la notte
Stiamo passando la notte in macchina.
overnachten
We overnachten in de auto.
prendere
Lei deve prendere molti farmaci.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
chiedere
Lui le chiede perdono.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
aspettare
Dobbiamo ancora aspettare un mese.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
passare
Il periodo medievale è passato.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
passare accanto
Il treno sta passando accanto a noi.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.