Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/115113805.webp
chiacchierare
Chiacchierano tra loro.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
cms/verbs-webp/61826744.webp
creare
Chi ha creato la Terra?
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
cms/verbs-webp/127720613.webp
mancare
Lui sente molto la mancanza della sua ragazza.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
cms/verbs-webp/111892658.webp
consegnare
Lui consegna pizze a domicilio.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
cms/verbs-webp/112970425.webp
arrabbiarsi
Lei si arrabbia perché lui russa sempre.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
cms/verbs-webp/62000072.webp
passare la notte
Stiamo passando la notte in macchina.
overnachten
We overnachten in de auto.
cms/verbs-webp/60111551.webp
prendere
Lei deve prendere molti farmaci.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
cms/verbs-webp/107299405.webp
chiedere
Lui le chiede perdono.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
cms/verbs-webp/94909729.webp
aspettare
Dobbiamo ancora aspettare un mese.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
cms/verbs-webp/113842119.webp
passare
Il periodo medievale è passato.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
cms/verbs-webp/99769691.webp
passare accanto
Il treno sta passando accanto a noi.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
cms/verbs-webp/79046155.webp
ripetere
Puoi ripetere per favore?
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?