Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
sign
He signed the contract.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
come together
It’s nice when two people come together.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
want to leave
She wants to leave her hotel.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
look up
What you don’t know, you have to look up.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
practice
The woman practices yoga.
oefenen
De vrouw beoefent yoga.
burn
A fire is burning in the fireplace.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
taste
The head chef tastes the soup.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
work
The motorcycle is broken; it no longer works.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
feed
The kids are feeding the horse.
voeden
De kinderen voeden het paard.
respond
She responded with a question.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
burn
He burned a match.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.