Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
vote
One votes for or against a candidate.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
choose
It is hard to choose the right one.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
check
The dentist checks the teeth.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
start
School is just starting for the kids.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
throw
He throws his computer angrily onto the floor.
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
want
He wants too much!
willen
Hij wil te veel!
depart
The train departs.
vertrekken
De trein vertrekt.
talk badly
The classmates talk badly about her.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
stand
The mountain climber is standing on the peak.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
help
Everyone helps set up the tent.
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
drink
She drinks tea.
drinken
Ze drinkt thee.