Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
decipher
He deciphers the small print with a magnifying glass.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
hire
The company wants to hire more people.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
start
School is just starting for the kids.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
take back
The device is defective; the retailer has to take it back.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
return
The boomerang returned.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
pull
He pulls the sled.
trekken
Hij trekt de slee.
park
The bicycles are parked in front of the house.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
throw away
He steps on a thrown-away banana peel.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
talk badly
The classmates talk badly about her.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
surprise
She surprised her parents with a gift.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
get a turn
Please wait, you’ll get your turn soon!
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!